Psytoo
Terug naar Vertel je verhaal
Het jaar waarin ik weer leerde ademen

Voorbeeldboek

Het jaar waarin ik weer leerde ademen

Een ervaringsverhaal over burn-out, herstel en opnieuw beginnen

Marieke de Vries

Inhoudsopgave

  1. 01De dag dat alles stilviel
  2. 02De diagnose
  3. 03Terug in het huis van mijn ouders
  4. 04Leren ademenJe leest nu
  5. 05Weer aan het werk
  6. 06Wat vrienden niet zagen
  7. 07De terugval
  8. 08De brief aan mezelf
  9. 09Slapen zonder wekker
  10. 10Grenzen die niemand leuk vindt
  11. 11De eerste keer weer lachen
  12. 12Mijn lichaam als kompas
  13. 13Wat therapie wel en niet deed
  14. 14Het gesprek met mijn moeder
  15. 15Wat ik nu weet

Hoofdstuk 4

Leren ademen

De fysiotherapeut legde haar hand op mijn buik en zei: adem hierheen. Ik was zesendertig jaar oud en ik wist niet meer hoe. Drie maanden lang had ik alleen nog boven in mijn borst geademd, korte teugjes, alsof ik elk moment weg moest kunnen rennen. Ik keek naar haar hand en probeerde iets in beweging te krijgen wat al die tijd stil had gestaan. Er gebeurde niets. Mijn schouders schoten omhoog, mijn kaken klemden op elkaar, en ergens achter mijn ogen begon dat bekende suizen dat mij inmiddels vertrouwder was dan mijn eigen stem.

Ze zei dat ik het niet moest forceren. Dat is het soort zin waar ik in die periode woedend van werd. Niet forceren was precies waar ik niet goed in was. Ik had vijftien jaar lang alles geforceerd: deadlines, vriendschappen, vakanties, mijn eigen enthousiasme. Ik forceerde mijn stem vrolijk als ik de telefoon opnam en ik forceerde mijn lichaam de trap op als de lift bezet was. Forceren was mijn manier om in leven te blijven, en nu vroeg een vrouw in een lichtblauwe polo of ik dat even wilde loslaten.

Ik ben die eerste sessie huilend weggegaan. Niet mooi huilen, niet filmisch. Snotterend, met mijn jas half aan, terwijl ik in de spiegel van de lift naar mezelf keek en dacht: dit ben ik dus geworden. Een vrouw die instort bij een ademhalingsoefening. Op de fiets naar huis waaide er een harde wind uit het westen en voor het eerst in maanden voelde ik iets wat op opluchting leek. Alsof er iets was gebarsten dat te lang dicht had gezeten.

Wat niemand me had verteld: herstel begint niet met een groot besluit. Er is geen ochtend waarop je wakker wordt en zegt: vanaf vandaag ga ik beter worden. Herstel begint met iets belachelijk kleins. Vier tellen in, zes tellen uit, elke ochtend op de rand van mijn bed, voordat de dag iets van me kon vragen. De eerste week voelde het als toneelspel. Ik zat daar in mijn pyjama te tellen en dacht: dit is zielig. In de derde week merkte ik dat ik het deed in de rij bij de supermarkt, zonder erbij na te denken.

Mijn huisarts had het woord burn-out gebruikt alsof hij het over een verstuikte enkel had. Zes weken rust, geen schermen na acht uur, en dan kijken we weer. Ik weet nog dat ik knikte en dacht: zes weken red ik wel. Ik had geen idee. Zes weken werden zeven maanden, en de eerste drie daarvan herinner ik me vooral als een vlek. Ik at wat mijn vriend voor me neerzette, ik keek naar programma's zonder te weten waar ze over gingen, en ik sliep op de vreemdste momenten van de dag in.

In die vlek zaten kleine, scherpe momenten die ik nooit meer ben vergeten. De keer dat ik in de badkamer stond en niet kon bedenken of ik mijn tanden al gepoetst had. De keer dat ik mijn collega tegenkwam bij de bakker en zo hard schrok dat ik zonder brood naar buiten liep. En de keer dat mijn moeder aan de telefoon vroeg hoe het ging en ik alleen maar kon zeggen: ik weet het niet, mam, ik weet het echt niet.

De fysiotherapie was het idee van mijn vriend. Hij had gelezen dat je bij langdurige stress letterlijk verkeerd gaat ademen, en dat je dat kunt afleren. Ik vond het onzin. Ik had een probleem in mijn hoofd, niet in mijn longen. Ik ging omdat ik geen argument had om niet te gaan, en omdat het een afspraak in de agenda was, en een lege agenda bleek gevaarlijker dan ik dacht.

Ze heette Ilse. Ze stelde weinig vragen over mijn werk, wat een verademing was, want iedereen stelde vragen over mijn werk. Ze vroeg wat ik voelde in mijn ribben. Ze vroeg of ik mijn tenen kon voelen. Ze vroeg of ik ooit gemerkt had dat ik mijn adem inhoud als ik een mail open. Dat laatste bleef hangen. Die avond keek ik naar mezelf terwijl ik mijn inbox opende en ja hoor: adem in, en dan niets meer. Seconden achter elkaar niets.

We begonnen met vijf minuten per dag. Ilse zei dat vijf minuten genoeg was en dat meer doen op dit moment eigenlijk een vorm van vluchten zou zijn. Ik heb daar lang over nagedacht. Ik was zo gewend om vooruit te willen dat zelfs mijn herstel een project dreigde te worden, met mijlpalen en meetbare doelen. Ik had al een schriftje gekocht om mijn vooruitgang bij te houden. Ilse lachte toen ik dat vertelde en zei dat ik het schriftje voorlopig in een la mocht leggen.

De tweede maand kwam er een oefening bij: liggend op de grond, knieën opgetrokken, een boek op mijn buik. Het boek moest omhoog bij de inademing. Het bewoog niet. Twee weken lang bewoog dat verdomde boek niet. Ik werd er kwaad om, en die kwaadheid was het eerste duidelijke gevoel dat ik in maanden had gehad. Ik lag op de vloer van onze woonkamer te vloeken tegen een pocketuitgave, en mijn vriend kwam kijken of ik in orde was.

Toen het boek eindelijk bewoog, huilde ik weer. Er zat iets in dat bewegen wat ik niet in woorden krijg. Alsof mijn lichaam eindelijk toestemming gaf om er te zijn. Ik ben altijd iemand geweest die dingen begrijpt door erover te praten, en dit was het eerste wat ik begreep zonder woorden. Later, in therapie, zou ik daar veel over praten, maar dat eerste moment was stil en van mij alleen.

Ondertussen ging de wereld door. Er kwamen appjes van collega's die vroegen wanneer ik terugkwam, altijd met een emoji erachter zodat het luchtig leek. Er kwam een brief van de arbodienst met een woord als re-integratietraject, en ik legde die brief drie dagen ondersteboven op de keukentafel voordat ik hem durfde te openen. Ik schaamde me. Dat is misschien wel het lelijkste onderdeel van instorten: dat je het jezelf kwalijk neemt terwijl je al op de grond ligt.

Ilse zei iets wat ik sindsdien vaak heb doorverteld. Ze zei: je lichaam heeft de rem ingetrapt omdat jij dat zelf niet deed. Dat is geen falen, dat is een noodrem. Ik moest daar boos om worden voordat ik het kon geloven. Ik zei dat andere mensen hetzelfde werk deden en niet instortten. Ze vroeg of ik die mensen persoonlijk kende, en of ik wist hoe hun avonden eruitzagen. Ik wist het niet.

In diezelfde periode ben ik gestopt met de nieuwsapp. Niet uit principe, maar omdat mijn hartslag omhoog schoot bij elk pushbericht. Ik heb ook drie groepsapps verlaten, wat me een aantal ongemakkelijke gesprekken opleverde. Iemand zei dat ik me terugtrok. Dat klopte. Ik trok me terug, en het was het gezondste wat ik dat jaar heb gedaan. Er zijn periodes waarin je de wereld kleiner moet maken om er weer bij te kunnen horen.

De ademhaling werd mijn maatstaf. Niet mijn stemming, niet mijn productiviteit, maar de vraag: adem ik hoog of laag? Ik kon het overal checken. In de tram, in een gesprek, tijdens het koken. Hoog betekende: er gebeurt iets, let op. Laag betekende: het is goed zo. Voor het eerst had ik een signaal dat niet loog. Mijn hoofd loog voortdurend, mijn hoofd zei al jaren dat het prima ging. Mijn middenrif was eerlijker.

In maand vier probeerde ik weer te lezen. Een halve pagina per keer, en daarna moest ik liggen. Ik las een roman waarvan ik de eerste tachtig bladzijden drie keer opnieuw ben begonnen. Ik denk nog vaak aan die bladzijden. Ze staan voor iets: dat je iets mag oppakken zonder dat het meteen lukt, en dat opnieuw beginnen geen bewijs van zwakte is maar gewoon hoe het gaat.

Er kwam een dag waarop ik veertig minuten wandelde en niet uitgeput thuiskwam. Ik weet nog precies welke route ik liep, langs de sportvelden, achter de school om, en dat er ergens een man zijn heg stond te knippen. Ik ben blijven staan om te kijken. Dat is misschien niet indrukwekkend, maar ik had maandenlang niets kunnen kijken. Alles was ruis geweest. Nu zag ik een man, een heg, een schaar.

Mijn vriend en ik hebben in die maanden ruzie gehad over dingen die er niet toe deden en niet gepraat over dingen die er wel toe deden. Hij was bang. Ik was er niet. Iemand die herstelt is vaak een slechte partner, en dat mag ook een keer gezegd worden. Wat ons gered heeft is dat we allebei zijn blijven zitten aan die keukentafel, ook op de avonden waarop we niets te zeggen hadden.

Terugkijkend zie ik dat er drie dingen echt hebben geholpen, en geen daarvan stond in de folder die ik van de arbodienst kreeg. Het eerste was ritme. Niet discipline, ritme. Elke dag op hetzelfde tijdstip opstaan, ook als ik nergens heen moest. Het tweede was één afspraak per dag, nooit twee. Het derde was iemand die niet vroeg hoe het ging, maar die naast me kwam zitten en over iets anders begon.

Wat niet hielp: adviezen. Ik heb er honderden gekregen. Koud douchen, magnesium, minder suiker, een retraite in Portugal, een boek over grenzen, een app met walvisgeluiden. Mensen bedoelden het goed en ik heb ze allemaal bedankt. Maar advies is vaak een manier om je eigen ongemak op te lossen bij het zien van iemand die het zwaar heeft. Ik wilde geen advies. Ik wilde gezelschap.

In maand vijf ging ik voor het eerst weer even langs op kantoor. Twee uur, geen werk, alleen koffie. Ik was zenuwachtig als een kind op de eerste schooldag en ik heb drie keer op de parkeerplaats overwogen om terug te rijden. Binnen bleek het mee te vallen. Mensen waren aardig. Iemand zei: goh, je ziet er goed uit. Ik heb daar later nog vaak aan gedacht, want ik voelde me die dag beroerd. Zo weinig weten we van elkaar.

Ilse bouwde de sessies af. Bij de laatste vroeg ze wat ik zou doen als het weer misging. Ik zei: dan bel ik jou. Ze schudde haar hoofd en zei dat ik het antwoord al kende. Vier tellen in, zes tellen uit. Beginnen bij het lichaam en pas daarna bij het verhaal. Ik vond dat een beetje flauw, maar ze had gelijk. Een half jaar later, toen het inderdaad weer bijna misging, was dat precies wat ik deed.

Ik wil niet doen alsof ademhaling mijn burn-out heeft opgelost. Dat is een te makkelijk verhaal en er zijn al genoeg te makkelijke verhalen. Er was therapie, er was een gesprek met mijn leidinggevende dat pijnlijk en noodzakelijk was, er was uiteindelijk een andere baan. Maar de ademhaling was de eerste plek waar ik weer invloed had. Als alles te groot is, moet je iets vinden dat klein genoeg is om vast te houden.

Er is een moment dat ik altijd zal onthouden. Een dinsdagochtend in maart, koud, met dat harde licht dat je alleen in het vroege voorjaar hebt. Ik zat op de rand van mijn bed, telde, en merkte halverwege dat ik niet meer aan het tellen was maar gewoon ademde. Zonder project. Zonder maatstaf. Ik zat daar en ik was er, en de dag lag voor me zonder dat ik hem hoefde te overleven.

Als ik nu iemand tegenkom die net is ingestort, zeg ik meestal weinig. Ik vertel dat het langer duurt dan de huisarts zegt. Ik vertel dat het niet lineair gaat en dat een goede week gevolgd kan worden door drie slechte dagen zonder dat er iets mis is. En ik vertel over het boek op mijn buik dat twee weken lang niet bewoog, omdat mensen daar vaker om moeten lachen dan om welke bemoedigende spreuk dan ook.

Er is nog iets wat ik vertel, en dat is misschien het belangrijkste. Ik zeg dat je in deze periode andere mensen nodig hebt die het kennen. Niet je beste vriendin, niet je partner, niet je leidinggevende met zijn beste bedoelingen, maar iemand die precies weet hoe het is om om drie uur 's middags op de bank te liggen met het gevoel dat je leven aan de andere kant van het raam doorgaat. Ik vond die mensen laat. Ik had ze veel eerder willen vinden, en dat is een van de redenen dat ik dit boek heb gemaakt.

De eerste keer dat ik met iemand sprak die hetzelfde had meegemaakt, was op een verjaardag waar ik eigenlijk niet naartoe wilde. Een man van ergens in de vijftig, ik kende hem nauwelijks, vertelde in twee zinnen dat hij het jaar daarvoor ook was omgevallen. Hij zei het zonder drama, tussen de bitterballen door. Ik heb hem daarna een uur staan uithoren. Wat hij zei was niet nieuw, maar het kwam uit een mond die het gevoeld had, en dat maakte alles anders.

Hij vertelde over de schaamte. Dat hij tegen de buren had gezegd dat hij een rugblessure had. Ik lachte hardop, want ik had letterlijk hetzelfde gedaan met een verhaal over een oude knieoperatie. We stonden daar met twee verzonnen blessures en het echte verhaal ertussenin. Sindsdien denk ik dat het grootste deel van het herstel niet in de spreekkamer zit, maar in dat soort gesprekken. Iemand die knikt op de juiste plek in je zin.

Ik heb geprobeerd om precies op te schrijven hoe de dagen eruitzagen, omdat ik zelf zo hard heb gezocht naar een eerlijke beschrijving en die bijna nergens vond. De meeste verhalen over herstel beginnen bij het einde, bij de les die is geleerd, bij de vrouw die nu rustig in de tuin zit met een kop thee. Ik wilde het midden opschrijven. Het midden is niet mooi. Het midden is een woensdag waarop je twee keer hebt gedoucht omdat je vergat dat je het al gedaan had.

In het midden zaten ook dagen die verrassend goed waren en die me achteraf op het verkeerde been zetten. Na zo'n dag dacht ik steevast dat ik erdoorheen was, en dan plande ik meteen te veel. Een borrel, een familiebezoek, een klusje in huis. De dag daarna lag ik weer plat. Ilse noemde dat het jojo-effect en zei dat bijna iedereen het doet. Ik moest leren om op een goede dag niet meer te doen dan op een matige dag. Dat was moeilijker dan rusten.

Wat ook hielp, is dat ik ben gaan schrijven. Niet mooi, niet voor iemand. Elke avond drie regels in een schrift: wat ik had gedaan, hoe mijn adem was geweest, en een ding dat ik had gezien. Dat laatste was het idee van Ilse. Een merel op de schutting, de kleur van de lucht boven het viaduct, iemand die zijn hond stond uit te leggen waarom ze naar links moesten. Na een paar maanden bladerde ik terug en zag ik iets wat ik van binnenuit niet had gemerkt: het ging beter. Niet dag na dag, maar maand na maand wel.

Mijn moeder heeft in die periode elke zondag gebeld en nooit gevraagd wanneer ik weer aan het werk ging. Ik weet niet of ze begreep hoeveel dat waard was. We spraken over de tuin, over haar zus, over een programma dat ze had gezien. Twintig minuten volstrekt onbelangrijke dingen, en daarna was mijn borst losser. Ik heb het haar pas veel later verteld, in het gesprek dat verderop in dit boek staat, en ze zei dat ze gewoon niet wist wat ze anders had moeten zeggen.

En dan is er nog het geld, want daar praat bijna niemand over. Zeven maanden thuis betekende bij ons dat de vakantie niet doorging, dat de auto weg moest en dat ik voor het eerst sinds mijn studietijd op de prijzen in de supermarkt lette. Dat is geen detail. Financiele stress en herstel gaan slecht samen, en ik wil dat iemand die dit leest weet dat het normaal is om daar 's nachts wakker van te liggen. Wij hebben het opgelost door het uit te spreken en een simpel schema op de koelkast te hangen. Niet elegant, wel rustgevend.

Als ik alles bij elkaar optel, is dit hoofdstuk het scharnierpunt van mijn jaar. Niet omdat er iets spectaculairs gebeurde, maar omdat ik voor het eerst de kant van herstel op bewoog in plaats van alleen maar te overleven. Het verschil tussen die twee is klein en enorm tegelijk. Overleven is wachten tot het ophoudt. Herstellen is iets doen wat je morgen weer kunt doen.

Dit hoofdstuk heet Leren ademen, maar eigenlijk gaat het over leren wachten. Over accepteren dat je lichaam een ander tempo heeft dan je agenda. Ik heb vijftien jaar geleefd alsof ik mijn lichaam onderweg wel zou ophalen. Dat werkt tot het niet meer werkt. En als het niet meer werkt, blijkt de weg terug niet door je hoofd te lopen, maar door je middenrif, vier tellen in en zes tellen uit, elke ochtend opnieuw, tot je op een dag merkt dat je het niet meer aan het oefenen bent.

Opgetekend uit het intakegesprek met de auteur, woord voor woord nagelezen en goedgekeurd.

Dit kan ook jouw boek zijn

Vertel je verhaal in een gesprek van 30 minuten. Wij maken er een ervaringsreeks, een boek en een luisterboek van.